Uitspraak
200204616/1, is aan de eis dat gebouwen en bouwwerken ten dienste moeten staan aan de uitoefening van een agrarisch bedrijf voldaan, indien kan worden gesproken van agrarische activiteiten met een - werkelijk - bedrijfsmatig karakter. Voor het standpunt van het college dat uitsluitend een volwaardig agrarisch bedrijf ter plaatse is toegestaan is dan ook gelet op de planvoorschriften in dit geval geen plaats. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een schuur voor het stallen van landbouwwerktuigen ten behoeve van het bewerken van 2,5 ha. grasland op het perceel, waarop onder meer hooibouw plaatsvindt. [verzoeker] ontplooit hiermee op het perceel nog agrarische activiteiten met een bedrijfsmatig karakter. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat, gelet hierop, het college zich niet zonder meer op het standpunt kon stellen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat de voorheen door [verzoeker] geëxploiteerde varkensmesterij en hiermee het agrarisch bedrijf op het perceel is beëindigd. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de beslissing op bezwaar van 7 juli 2005 op dit punt een deugdelijke motivering ontbeert.