ECLI:NL:RVS:2007:AZ9524
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid beëindiging verstrekkingen aan uitgeprocedeerde asielzoekers en hun kinderen
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) beëindigde de verstrekkingen aan twee uitgeprocedeerde vreemdelingen en hun minderjarige kinderen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit. Het COA stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad overwoog dat bepalingen uit het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), zoals artikel 3 lid 1 en Pro artikel 27, geen rechtstreeks toepasbare normen bevatten zonder nadere nationale uitwerking. Ook het discriminatieverbod in artikel 2 lid 1 IVRK Pro staat niet in de weg aan het maken van onderscheid tussen kinderen van ouders die wel of niet aan hun meewerkplicht voldoen.
De Raad stelde vast dat het beleid van het COA om verstrekkingen te beëindigen aan uitgeprocedeerde vreemdelingen die niet meewerken aan terugkeer niet in strijd is met het IVRK of de Grondwet. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat het belang van het kind een belangrijke overweging is, maar dat andere belangen zwaarder kunnen wegen binnen het kader van de geldende wet- en regelgeving.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de beëindiging van verstrekkingen wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.