Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9529

Raad van State

Datum uitspraak
28 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200607241/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbAlgemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen subsidie vervangende nieuwbouw

Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem stelde een subsidie vast van €18.065,77 voor het slopen van een oude woning en het bouwen van een nieuwe woning in het kader van het experiment vervangende nieuwbouw Oost. Appellant diende bezwaar in tegen dit besluit, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkheid. Appellant stelde dat het bezwaarschrift tijdig was ingediend omdat het op de laatste dag van de termijn in de brievenbus was gedaan, ondersteund door een schriftelijke verklaring van zijn partner.

De Raad van State oordeelde dat het tijdstip van deponeren in de brievenbus niet als het moment van postbezorging kan gelden. Het datumstempel van de postdienst, dat een latere datum aangaf, is bepalend. Omdat appellant dit niet met objectief verifieerbare gegevens kon weerleggen, was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk. De Raad van State bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees verdere inhoudelijke behandeling af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift bevestigd.

Uitspraak

200607241/1.
Datum uitspraak: 28 februari 2007
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/6081 van de rechtbank Haarlem van 22 augustus 2006 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 22 maart 2005, verzonden op 24 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college), de aan appellant verleende subsidie voor het slopen van de oude woning en het bouwen van een nieuwe woning aan de [locatie] te Haarlem in het kader van het experiment vervangende nieuwbouw Oost vastgesteld op een bedrag van € 18.065,77.
Bij brief van 22 september 2005 heeft de directeur van de Concernstaf aan appellant medegedeeld dat het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar bij besluit van 6 september 2005 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Bij uitspraak van 22 augustus 2006, verzonden op 24 augustus 2006, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 februari 2007 waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C.M.E. Verhaegh, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door A.C. Timmer-van der Hoeven, ambtenaar bij de gemeente Haarlem, zijn verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Vast staat dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is aangevangen op 25 maart 2005 en, gelet op artikel 6:7 van Pro de Awb en artikelen 1 en 3 van de Algemene termijnenwet, geëindigd op 6 mei 2005.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is een bezwaarschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, aangezien hij het op 6 mei 2005 tussen half zes en zes uur, weliswaar nadat de lichting op die dag al had plaatsgevonden, in de brievenbus heeft gedeponeerd. Zijn betoog wordt ondersteund door een schriftelijke verklaring van zijn [partner].
2.2.1.    Dit betoog slaagt niet. Uitgangspunt bij het vaststellen van de datum van terpostbezorging is het door TPG Post (thans: TNT Post) aangebrachte datumstempel. Bepalend voor de vraag of aan de voorwaarde die artikel 6:9, tweede lid, van de Awb stelt is voldaan, is dan ook het moment waarop TPG Post een datumstempel op het poststuk aanbrengt. Het moment van deponeren van een poststuk in een brievenbus kan niet als moment van postbezorging worden aangemerkt. Dit tijdstip kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld en verklaringen daaromtrent zijn niet controleerbaar. Blijkens het door TPG Post aangebrachte datumstempel is het bezwaarschrift op 8 mei 2005 ter post bezorgd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant niet middels enig objectief verifieerbaar gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift reeds op 6 mei 2005, en derhalve tijdig, ter post is bezorgd. Gesteld noch gebleken is van feiten of omstandigheden in verband waarmee redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.
2.3.    Nu het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding, behoeft hetgeen appellant heeft betoogd met betrekking tot de bevoegdheid van de genomen besluiten in verband met gestelde mandaatgebreken geen bespreking.
2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.
w.g. Scholten-Hinloopen                         w.g. Larsson-van Reijsen
Lid van de enkelvoudige kamer                    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007
344