Uitspraak
200403924/1, waarbij, voor zover hier van belang, het besluit op bezwaar van 13 januari 2004 is vernietigd, opnieuw beslist op het bezwaar van appellant gericht tegen voornoemd besluit tot toepassing van bestuursdwang.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Best had op 7 mei 2003 bestuursdwang toegepast in verband met de ontruiming van een woning, waarbij de inboedel niet op de openbare weg mocht worden geplaatst. Hoewel het college een voornemen tot bestuursdwang had aangekondigd, ontbrak een schriftelijk besluit voorafgaand aan de handhaving.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat het college spoedshalve bestuursdwang toepaste zonder dat sprake was van een zeer urgente situatie die onmiddellijke actie vereiste. Er was een periode van zes dagen tussen het bekend worden van de ontruiming en de feitelijke uitvoering, wat voldoende tijd bood voor een schriftelijk besluit.
De Raad oordeelt dat het college had moeten kiezen voor een preventieve bestuursdwangaanschrijving in plaats van spoedige bestuursdwang. Het hoger beroep van appellant wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van het college van 9 augustus 2005 vernietigd. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot bestuursdwang vernietigd wegens het ontbreken van een spoedeisende situatie.