ECLI:NL:RVS:2007:BA7148
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van rechtmatigheid bewaring en ongewenstverklaring van EU-burger wegens openbare orde
Appellant, een Italiaans staatsburger en daarmee EU-burger, werd in 2002 ongewenst verklaard en uitgezet vanwege strafrechtelijke veroordelingen en een actuele bedreiging voor de openbare orde. In 2007 werd appellant in vreemdelingenbewaring gesteld omdat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had, aangezien de termijn voor opheffing van de ongewenstverklaring nog niet was verstreken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de bewaring ongegrond. Appellant stelde dat het besluit tot ongewenstverklaring niet voldeed aan de vereisten van de EU-richtlijn 2004/38/EG, met name dat de beoordeling van de actuele bedreiging en persoonlijke omstandigheden niet adequaat was gebeurd. De Raad van State oordeelde echter dat het besluit uit 2002, dat in rechte onaantastbaar is, voldoende gronden bevatte en dat de bewaring rechtmatig was.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De zaak betreft de toepassing van het evenredigheidsbeginsel en de voorwaarden voor toegang en verblijf van EU-burgers in Nederland in het kader van openbare orde.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellant rechtmatig in bewaring kon worden gesteld vanwege een geldige ongewenstverklaring en het ontbreken van rechtmatig verblijf.