ECLI:NL:RVS:2007:BA9131
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende beoordeling zwaarwegendheid geloofwaardig geachte feiten bij verblijfsvergunning asiel
Bij besluiten van 27 maart 2006 wees de minister de aanvragen van vreemdelingen voor een verblijfsvergunning asiel af, ondanks dat de feiten waarop zij hun asielrelaas baseerden als geloofwaardig werden beschouwd. De rechtbank verklaarde deze besluiten op 13 december 2006 vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de minister niet had beoordeeld of deze feiten voldoende zwaarwegend waren voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De minister stelde in hoger beroep dat hij de geloofwaardigheid van het asielrelaas had erkend, maar de vermoedens van negatieve belangstelling na terugkeer onvoldoende realistisch vond. De Raad van State oordeelde dat de minister terecht niet volstond met een beoordeling van de plausibiliteit van de vermoedens, maar dat hij wel had moeten beoordelen of de geloofwaardig geachte feiten zwaarwegend genoeg waren voor een verblijfsvergunning.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond. Tevens werd de Staatssecretaris van Justitie veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdelingen. Bij hernieuwde besluitvorming dient de minister de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte feiten te beoordelen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de besluiten worden bevestigd met proceskostenveroordeling.