ECLI:NL:RVS:2007:BB1267
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en staandehouding op grond van redelijk vermoeden illegaal verblijf in horecabedrijf
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die het beroep van een vreemdeling tegen zijn inbewaringstelling gegrond verklaarde en de maatregel ophefte.
De Raad van State oordeelt dat de processen-verbaal, waaronder eerdere aanhoudingen van illegale vreemdelingen in het horecabedrijf en een feest met voornamelijk Nigeriaanse bezoekers, samen een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren. Dit rechtvaardigt de staandehouding op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank had ten onrechte aangenomen dat bij staandehouding in een publieke ruimte hogere eisen aan het vermoeden gesteld moeten worden. De Raad stelt dat dit niet uit de wet of het beleid volgt. Ook het betoog van de vreemdeling over het ontbreken van een proces-verbaal van binnentreden faalt, omdat de Awbi alleen op woningen ziet.
De Raad verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring gehandhaafd.