Uitspraak
200506616/1(JB 2006/113), zowel in het kader van artikel 8 van Pro de WVO als in het kader van artikel 10 van Pro de WVO van toepassing kan worden geacht.
Raad van State
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties trok op 20 november 2006 in overeenstemming met de Minister van Justitie de aan verzoeker afgegeven verklaring van geen bezwaar in. Tevens werd op 9 maart 2007 een weigering van een nieuwe verklaring uitgesproken. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze besluiten, welke door de Minister ongegrond werden verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen tegen deze besluiten gegrond, vernietigde de besluiten en schorste het intrekkingsbesluit.
De Minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Raad van State oordeelde dat nader onderzoek niet noodzakelijk was en dat de Minister bevoegd was het intrekkingsbesluit te nemen op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken (WVO), mede gelet op justitiële gegevens die een veiligheidsrisico vormen. De Raad stelde dat de voorzieningenrechter onvoldoende terughoudendheid had betracht bij de toetsing van het besluit en dat de Minister de belangen van verzoeker wel degelijk had meegewogen.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de voorzieningenrechter, verklaarde het hoger beroep gegrond en de beroepen bij de rechtbank ongegrond. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het hoger beroep van de Minister gegrond, waardoor de beroepen bij de rechtbank ongegrond worden verklaard.