ECLI:NL:RVS:2007:BB9991
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.J.M. Schuyt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende aannemelijkheid nationaliteit en identiteit
Appellant verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van asiel, stellende dat hij Burundese nationaliteit bezit. De minister wees de aanvraag af omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn identiteit en herkomst klopten. Appellant voerde onder meer aan dat het identiteitsdocument mogelijk authentiek is en dat de taalanalyse die zijn afkomst betwijfelde onvoldoende betrouwbaar was.
De Raad van State overwoog dat het aan appellant is om de authenticiteit van zijn identiteitsbewijs aannemelijk te maken. De minister mocht uitgaan van het onderzoek van het Bureau Documenten, ondanks dat het eerste ambtsbericht onzorgvuldig was opgesteld. De taalanalyse concludeerde dat appellant niet tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Burundi behoort, mede omdat hij geen concrete informatie kon geven over zijn herkomstomgeving.
Hoewel de motivering van de taalanalyse summier was en niet onderworpen aan extra cross checks, was er geen reden om aan de deskundigheid van de taalanalist te twijfelen. De Raad van State oordeelde dat de minister in redelijkheid mocht concluderen dat appellant zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk had gemaakt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.