ECLI:NL:RVS:2008:BC3051
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- M. Oosting
- H.P.J.A.M. Hennekens
- G.N. Roes
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom wegens onjuiste oplegging aan eigenaar onroerend goed
Het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel legde op 16 november 2006 een last onder dwangsom op aan appellant, eigenaar van het perceel waar een composteerbedrijf is gevestigd. Deze last betrof een overtreding van geurvoorschriften uit de Hinderwetvergunning. Appellant voerde aan dat zij niet als overtreder kon worden aangemerkt omdat zij slechts eigenaar en verhuurder was, terwijl de feitelijke drijver van de inrichting een derde partij was.
De Raad van State stelde vast dat op grond van artikel 8.20 van de Wet milieubeheer de drijver van de inrichting gehouden is de vergunningvoorschriften na te leven. Volgens artikel 5:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan alleen degene die het voorschrift daadwerkelijk schendt als overtreder worden aangemerkt. Omdat appellant slechts eigenaar en verhuurder was en niet de drijver, was de last onder dwangsom ten onrechte aan haar opgelegd.
De Raad van State verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het oorspronkelijke besluit. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: De last onder dwangsom is vernietigd en herroepen omdat deze ten onrechte aan de eigenaar van het perceel is opgelegd in plaats van aan de feitelijke drijver van de inrichting.