Uitspraak
200104896/1, de verleende gedoogverklaringen bovendien geen beletsel vormen voor het alsnog handhavend optreden. [appellante] voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 1999, nr. H01.98.0114 (BR 2000, p.124) voorts aan dat een algemeen en verstrekkend gedoogbeleid als het onderhavige niet aanvaardbaar is, omdat daarmee een ernstige inbreuk op het stelsel van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) wordt gemaakt. [appellante] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het rijksbeleid ten aanzien van permanente bewoning van recreatieverblijven (hierna: het rijksbeleid) gedogen als één van de beleidsopties wordt genoemd. [appellante] stelt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat één of meer gedoogverklaringen niet langer in stand kunnen blijven en wijst daarbij in het bijzonder op de inkomstenverliezen die het als exploitant van het recreatiecentrum lijdt als gevolg van de permanente bewoning van op dat centrum gelegen recreatiewoningen.
200304918/1inzake het handhavingsbeleid van de gemeente Lochem, is de door het college gehanteerde peildatum van 29 april 1997 niet onredelijk. Voorts is niet gebleken dat de uitgangspunten die tot het afgeven van de 24 persoonlijke gedoogverklaringen hebben geleid thans niet meer zouden gelden.