Uitspraak
200406676/1, volgt dat [partij b] er op mocht vertrouwen dat zodra aan de in de brief van het college van burgemeester en wethouders van 27 april 1998 gestelde voorwaarden was voldaan, dit college tot wijziging van het bestemmingsplan zou overgaan, zodat op het perceel aan de Goorsteeg een intensieve veehouderij zou kunnen worden gevestigd. De bevoegdheid tot het vaststellen van een plan berust evenwel niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De brief van het college van burgemeester en wethouders van 27 april 1998 kan daarom niet gelden als een aan de raad toe te rekenen toezegging om bij de vaststelling van een nieuw plan een bouwperceel voor een intensieve veehouderij aan de Goorsteeg op te nemen. Voor zover het college ter zitting heeft uiteengezet dat het reconstructieplan Gelderse Vallei en Utrecht Oost alsmede het streekplan zich niet verzetten tegen de vestiging van een intensieve veehouderij, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheden - wat daar ook van zij - niet nopen tot het opnemen in het plan van een bouwperceel voor een intensieve veehouderij aan de Goorsteeg.