ECLI:NL:RVS:2008:BC5224
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en toepassing Schengengrenscode bij derdelander
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de vreemdeling in vreemdelingenbewaring had gesteld. De kern van het geschil is of de vreemdeling, als familielid van een EU-burger, rechtmatig verblijf had op grond van de Richtlijn 2004/38/EG en de Schengengrenscode.
De Raad van State overweegt dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat hij samen met de EU-burger reist of zich bij haar voegt, waardoor de Richtlijn niet van toepassing is. De vreemdeling moest daarom voldoen aan de voorwaarden van de Schengengrenscode en de SUO, waaronder het tonen van een verblijfsdocument voor Zweden. Bij de staandehouding toonde hij alleen een Iraaks paspoort, geen verblijfsrechtelijk document.
De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de bewaring onrechtmatig was. De Raad van State stelt dat de bewaring gerechtvaardigd was, mede omdat het onderzoek naar het verblijfsrecht in Zweden voortvarend werd uitgevoerd en de bewaring snel werd opgeheven nadat het verblijfsrecht werd bevestigd. Ook was de staandehouding binnen de toegestane grensstrook en steekproefsgewijs, dus rechtmatig.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring is rechtmatig bevonden.