Uitspraak
200702763/1leidt zij uit de arresten van het HvJ EG van 27 maart 1990 in zaak no. C-113/89 (Rush-Portuguesa; RV 1990, 89), 9 augustus 1994, in zaak no. C-43/93 (Van der Elst; RV 1994, 89), 21 oktober 2004 in zaak no. C-445/03 (Commissie tegen Luxemburg; RV 2004, 92), 19 januari 2006 in zaak no. C-244/04 (Commissie tegen Duitsland; RV 2006, 31) en van 21 september 2006 in zaak no. C-168/04 (Commissie tegen Oostenrijk; RV 2006, 43) af dat beperking van de vrijheid van dienstverrichting door middel van nationale maatregelen slechts in bepaalde omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn. Een dergelijke beperking moet worden gerechtvaardigd door de bescherming van een algemeen belang en moet proportioneel zijn. Uit deze jurisprudentie blijkt voorts dat nationale maatregelen - zoals de eis van een tewerkstellingsvergunning - ter controle of het vrij verkeer van diensten niet wordt gebruikt voor een ander doel dan de betrokken dienst zelf - zoals de omzeiling van de beperkingen op het vrij verkeer van werknemers - in ieder geval niet tot gevolg mogen hebben dat het vrij verkeer van diensten illusoir wordt. Daarnaast mag volgens het HvJ EG de uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting niet aan de beoordelingsvrijheid van de administratie onderworpen zijn. Gelet op voormelde jurisprudentie van het HvJ EG klaagt [appellante] terecht dat de rechtbank in het kader van de proportionaliteitstoets niet heeft kunnen volstaan met de overweging dat op een aanvraag om verlening van een tewerkstellingvergunning binnen twee weken na ontvangst wordt beslist, zodat niet kan worden gezegd dat het wachten op een dergelijke vergunning onevenredig bezwarend is, maar ook had moeten onderzoeken of de met de vergunningplicht beoogde doelstellingen niet met andere, minder vergaande en even doeltreffende maatregelen kunnen worden bereikt.