ECLI:NL:RVS:2008:BC6604
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mvv-vereiste en artikel 8 EVRM bij aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De minister had de aanvraag afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter had het beroep van de vreemdeling eveneens ongegrond verklaard.
De vreemdeling stelde dat het stellen van het mvv-vereiste in haar situatie tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, omdat haar familie in Marokko haar niet wil opvangen en zij een in Nederland geboren en getogen kind heeft met de Nederlandse nationaliteit. De Raad overwoog dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich in Marokko niet staande kan houden of dat haar familie haar niet opvangt. Tevens is geoordeeld dat de belangen van het kind door de voorzieningenrechter en minister zijn betrokken.
Voorts werd betoogd dat artikel 8 EVRM Pro, dat het recht op respect voor privé- en gezinsleven beschermt, in deze procedure tot vergunningverlening zou moeten leiden. De Raad stelde echter dat artikel 8 EVRM Pro slechts in uitzonderlijke gevallen een rol speelt bij de toetsing van het mvv-vereiste en dat het EHRM niet heeft overwogen dat artikel 8 EVRM Pro tot vergunningverlening moet leiden in dergelijke procedures.
De Raad bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.