Uitspraak
200608917/1(JV 2007/348) heeft overwogen dat het zogenoemde relativiteitsvereiste aan vergoeding van vermogensschade, zoals door appellante verzocht, in de weg staat.
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van een verzoek om schadevergoeding wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
De vreemdeling had haar aanvraag ingediend op 26 januari 2004, waarna de minister de aanvraag aanvankelijk afwees. Na diverse besluiten en een uitspraak van de rechtbank die het eerdere besluit vernietigde, werd haar uiteindelijk met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning verleend per 26 januari 2004.
De vreemdeling stelde dat zij schade had geleden doordat zij en haar echtgenoot geen Nationale Hypotheek Garantie konden verkrijgen en daardoor een hypotheek onder minder gunstige voorwaarden moesten afsluiten. De minister wees het verzoek om schadevergoeding af omdat de norm tot tijdig beslissen niet strekt tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen.
De Raad van State oordeelde dat het nationale vreemdelingenrecht inderdaad niet bedoeld is om vermogensrechtelijke belangen te beschermen, ook al kan het bezit van een verblijfsvergunning wel invloed hebben op het verkrijgen van een NHG. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens het niet tijdig beslissen op de verblijfsvergunningaanvraag wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.