Uitspraak
200406278/1geoordeeld dat het feit dat een grondrecht in het geding is, niet zonder meer betekent dat het in artikel 16 van Pro de planvoorschriften neergelegde gebruiksverbod ter zijde wordt gesteld. Daarvoor is van belang dat de planvoorschriften niet zijn gericht op regeling van de inhoud van de godsdienst of de wijze van belijden daarvan. De beperking door het gebruiksverbod van de rechten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het EVRM vindt haar grondslag in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en de op grond van die wet, onder andere door het gemeentebestuur, nader vastgestelde regelgeving, daaronder begrepen een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van Pro de WRO. Zoals onder meer volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2004 in zaak nr.
200306212/1, is het gebruiksverbod derhalve bij wet voorzien.
200704318/1) betreft dit een procesrechtelijke beslissing die in beginsel de verantwoordelijkheid is van de eerste rechter. Behoudens uitzonderingssituaties kunnen hiertegen gerichte gronden niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich in dit geval niet voor.