ECLI:NL:RVS:2008:BD2773
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet ontvankelijk wegens ongewenstverklaring vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie werd afgewezen bij besluit van 25 september 2007. De voorzieningenrechter verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hield de behandeling van het hoger beroep aanvankelijk aan in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG. Later bleek uit een besluit van 20 december 2007 dat de vreemdeling ongewenst was verklaard.
Op grond van artikel 67, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan een ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechtmatig verblijf hebben. Omdat het besluit van ongewenstverklaring niet was vernietigd of opgeheven, had de vreemdeling geen belang meer bij het hoger beroep. De Afdeling verklaarde het hoger beroep daarom niet ontvankelijk. De vreemdeling kan zijn betoog over de richtlijn desgewenst in een procedure tegen de ongewenstverklaring naar voren brengen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet ontvankelijk verklaard wegens de ongewenstverklaring waardoor geen rechtmatig verblijf mogelijk is.