ECLI:NL:RVS:2008:BD4762

Raad van State

Datum uitspraak
3 juni 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200802889/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling onvoldoende voortvarendheid bij vreemdelingenbewaring en vernietiging uitspraak rechtbank

De vreemdeling werd op 17 maart 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 25 maart 2008 diende hij een asielaanvraag in, waarna op 31 maart 2008 het vertrekgesprek plaatsvond, de eerste handeling ter voorbereiding van zijn uitzetting. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, maar de Raad van State stelt dit oordeel ter discussie.

De Raad van State overweegt dat het ontbreken van voortvarendheid geen wettelijk vereiste is, maar dat het wel onrechtmatigheid kan veroorzaken als de belangen van de bewaring niet in redelijke verhouding staan tot het gebrek. In deze zaak waren er geen bijzondere omstandigheden die het uitblijven van eerdere uitzettingshandelingen rechtvaardigden. De staatssecretaris heeft geen zwaarwegende belangen gesteld die het gebrek konden compenseren.

Daarom oordeelt de Raad dat de maatregel van bewaring vanaf het begin niet in redelijkheid gerechtvaardigd was. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. De vreemdeling krijgt een schadevergoeding en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was vanwege onvoldoende voortvarendheid.

Uitspraak

200802889/1.
Datum uitspraak: 3 juni 2008
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 08/11287 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 15 april 2008 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 april 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu hij op 25 maart 2008 een asielaanvraag heeft ingediend en op 31 maart 2008 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden, geen termen aanwezig zijn voor het oordeel dat door de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting is gewerkt. Daartoe betoogt hij dat op grond van de jurisprudentie de staatssecretaris binnen één week na een inbewaringstelling handelingen ter voorbereiding van de uitzetting moet verrichten. Nu gesteld noch gebleken is dat het vertrekgesprek niet eerder dan op 31 maart 2008 heeft kunnen plaatsvinden, is onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting gewerkt, aldus de vreemdeling.
2.1.1. Niet in geschil is dat met het vertrekgesprek op 31 maart 2008 voor het eerst een handeling ter voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling heeft plaatsgevonden. Evenmin is in geschil dat van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden om niet eerder handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten, geen sprake is geweest. Dat de vreemdeling op 25 maart 2008 een asielaanvraag heeft ingediend, stond daaraan niet in de weg. De rechtbank is derhalve ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. De grief slaagt.
2.2. De tweede grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling ten aanzien van het beroep van de vreemdeling, voor zover daarop na het vorenoverwogene nog moet worden beslist, als volgt.
2.4. Het vereiste van voortvarend handelen is geen wettelijk vereiste. Dit betekent dat, zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 mei 2008 in zaak nr. 200801811/1, www.raadvanstate.nl), het ontbreken van voldoende voortvarend handelen een maatregel van bewaring die aan alle in de wet gestelde vereisten voldoet, eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
De staatssecretaris heeft in dit geval geen bijzondere en zwaarwegende belangen gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het onvoldoende voortvarend handelen niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. Onder de gegeven omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat bij afweging van de betrokken belangen, de opgelegde maatregel van meet af aan in redelijkheid niet gerechtvaardigd was.
2.5. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 17 maart 2008 alsnog gegrond verklaren. De overige tegen het besluit aangevoerde beroepsgronden behoeven geen bespreking.
2.6. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 17 maart 2008, de datum waarop de vreemdeling in bewaring is gesteld, tot 29 april 2008, de dag waarop de inbewaringstelling van de vreemdeling is opgeheven.
2.7. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 15 april 2008 in zaak nr. 08/11287;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 3085,00 (zegge: drieduizendvijfentachtig euro);
V. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Spoel
voorzitter
w.g. Van Tielraden
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2008
156-513.
Verzonden: 3 juni 2008
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak