Uitspraak
200600633/1kan uit de geschiedenis van de Koppelingswet worden afgeleid dat de rijksoverheid de financiering van medisch noodzakelijke zorg aan illegaal hier te lande verblijvende vreemdelingen aan zich heeft getrokken. Daartoe heeft zij financiële middelen beschikbaar gesteld, die door haar worden ondergebracht in het Koppelingsfonds. Voorts heeft de minister het initiatief genomen tot oprichting van de Stichting Koppeling, waaraan uitvoering van voormelde taak is opgedragen. In haar uitspraak van 11 oktober 2006 heeft de Afdeling op grond daarvan vastgesteld dat uitvoering van die taak neerkomt op de uitoefening van een overheidstaak en heeft zij de Stichting Koppeling aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 eerste Pro lid, aanhef en onder b van de Awb.
200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr.
200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.