ECLI:NL:RVS:2008:BD6911
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens voortvarendheid uitzettingsactiviteiten
De vreemdeling diende op 22 april 2008 een asielaanvraag in, waarna op 28 april 2008 een besluit tot vreemdelingenbewaring werd genomen. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld bij het voorbereiden van de uitzetting, met name omdat het overnameverzoek aan Duitsland pas op 7 mei 2008 werd ingediend terwijl de staatssecretaris al op 22 april 2008 op de Dublin-claim was gewezen.
De staatssecretaris stelde echter dat de activiteiten na de inbewaringstelling, waaronder de overdracht van het dossier en het indienen van het overnameverzoek, binnen een redelijke termijn plaatsvonden en dat de feestdagen tussen 30 april en 5 mei 2008 een vertraging veroorzaakten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de periode vanaf 22 april 2008 niet relevant is voor de beoordeling van voortvarendheid, omdat toen nog geen besluit tot bewaring was genomen.
Verder werd geoordeeld dat ondanks de feestdagen geen sprake was van een onaanvaardbare vertraging in de uitzettingsactiviteiten. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.