ECLI:NL:RVS:2008:BE0215
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsrechtelijke betekenis van het Nederlands-Japanse handelsverdrag
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die een bezwaar van een vreemdeling tegen de afwijzing van een wijziging van zijn verblijfsvergunning gegrond verklaarde.
De staatssecretaris voerde aan dat het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan (1912) feitelijk niet meer werd uitgevoerd (desuetudo) en dat het artikel met de meestbegunstigingsclausule geen verblijfsrechtelijke betekenis heeft. De Raad van State oordeelde dat het Verdrag niet formeel is beëindigd en dat er geen gedragingen zijn waaruit blijkt dat Nederland of Japan het verdrag negeren. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat er een wezenlijke verandering van omstandigheden is die het Verdrag buiten werking stelt.
Verder werd geoordeeld dat de zinsnede 'indien zij zich gedragen naar de wetten des lands' in het Verdrag niet als een algemeen voorbehoud geldt dat de toepassing van de meestbegunstigingsclausule uitsluit. De bepalingen van het nationale vreemdelingenrecht moeten worden toegepast met inachtneming van deze clausule. De aanvraag van de Japanse onderdaan voor een verblijfsvergunning voor zelfstandige arbeid moet dan ook worden beoordeeld in het licht van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag en de Vreemdelingencirculaire 2000.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.