ECLI:NL:RVS:2013:32
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging besluit over ingangsdatum verblijfsvergunning op grond van meestbegunstigingsclausule
De zaak betreft het hoger beroep van de minister voor Immigratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit van de minister vernietigde over de ingangsdatum van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling. De minister had aanvankelijk een aanvraag tot wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning afgewezen en de vergunning ingetrokken, waarna een bezwaar gegrond werd verklaard en een nieuwe vergunning werd verleend met ingang van 8 januari 2009.
De rechtbank oordeelde dat het besluit over de ingangsdatum niet juist was en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen. De minister stelde hoger beroep in, waarbij de centrale vraag was hoe de meestbegunstigingsclausule uit het Nederlands-Japans Verdrag moet worden uitgelegd en of de vreemdeling zich op het Nederlands-Zwitsers Tractaat kan beroepen.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de meestbegunstigingsclausule bedoeld is om een Japanse onderdaan gelijk te stellen aan de meest begunstigde natie, zonder dat het voorwerp en doel van het ingeroepen verdrag volledig moeten overeenkomen met dat van het Nederlands-Japans Verdrag. De vreemdeling kan zich op het Nederlands-Zwitsers Tractaat beroepen omdat dit tractaat gunstigere bepalingen bevat en nog steeds van kracht is naast de Europese Overeenkomst over het vrij verkeer van personen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak benadrukt de toepassing van internationale verdragen en de meestbegunstigingsclausule in het vreemdelingenrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.