ECLI:NL:RVS:2008:BF0513
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning wegens ontbreken geldige machtiging tot voorlopig verblijf
De vreemdeling had meerdere aanvragen gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met verschillende beperkingen, waarbij telkens werd geweigerd vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank verklaarde het beroep tegen de laatste weigering ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het ging om een herhaalde aanvraag zonder nieuwe feiten of omstandigheden.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beoordelingskader voor besluiten van gelijke strekking toepaste, omdat de eerdere en de laatste weigeringen niet dezelfde strekking hadden. De Raad stelde vast dat het besluit van 13 juli 2006 geen besluit van gelijke strekking was als het eerdere besluit van 27 maart 2003, omdat het ging om verschillende beperkingen van de verblijfsvergunning.
Hierdoor was het toepassen van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht onjuist. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris werden vernietigd. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.