ECLI:NL:RVS:2008:BF1013
Raad van State
- Hoger beroep
- C.W. Mouton
- P.A.M.J. Graat
- Rechtspraak.nl
Weigering Verklaring Omtrent het Gedrag voor taxichauffeur na veroordeling feitelijke aanranding
De minister van Justitie weigerde op 8 november 2006 de afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan appellant, die deze nodig had voor een chauffeurspas om als taxichauffeur te werken. De weigering werd gehandhaafd in bezwaar en door de rechtbank Almelo bevestigd op 1 februari 2008. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De weigering was gebaseerd op een onherroepelijke veroordeling van appellant op 12 maart 2003 wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gepleegd tijdens zijn functie als chauffeur met een verstandelijk gehandicapte persoon. Volgens de minister en de beleidsregels vormt dit antecedent een belemmering voor het verkrijgen van een VOG, vanwege het risico voor de samenleving en de aard van de functie waarbij sprake is van afhankelijkheidsrelaties.
Appellant voerde aan dat hij verliefd was en niet wist van de handicap, dat recidive onwaarschijnlijk is volgens een psychologisch rapport, en dat de weigering hem onevenredig treft omdat hij beperkt is in zijn arbeidsmogelijkheden. De Raad van State oordeelde dat de wettelijke bepaling niet vereist dat het risico op recidive wordt beoordeeld, maar dat het feit op zich, indien herhaald, een belemmering vormt. Ook is het feit dat appellant zijn functie niet meer kan uitoefenen geen bijzondere omstandigheid. De omstandigheden waaronder het strafbare feit plaatsvond zijn slechts relevant bij twijfel, die hier niet bestond.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de weigering van de VOG wordt ongegrond verklaard en de weigering bevestigd.