ECLI:NL:RVS:2008:BG5067
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na staandehouding op grond van redelijk vermoeden illegaal verblijf
De vreemdeling werd op 23 augustus 2008 staande gehouden door een hoofdagent van politie op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, nadat een conducteur van de Nederlandse Spoorwegen had vastgesteld dat hij zonder geldig vervoersbewijs reisde en zich niet kon legitimeren. Vervolgens is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de bewaring opgeheven, mede vanwege het ontbreken van een proces-verbaal van de conducteur. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het niet aan de vreemdelingenrechter is om te toetsen aan bevoegdheden die niet krachtens de Vreemdelingenwet 2000 zijn toegekend, tenzij een bevoegde rechter onrechtmatigheid heeft vastgesteld. Het proces-verbaal van de hoofdagent en het mutatieformulier tonen voldoende aan dat de staandehouding en bewaring rechtmatig waren.
De grief van de vreemdeling dat onvoldoende voortvarendheid is betracht bij het toelaten tot de asielprocedure wordt verworpen. Ook het betoog dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast faalt, gelet op het ontbreken van identiteitspapieren, vaste verblijfplaats en voldoende middelen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling als rechtmatig bevestigd.