ECLI:NL:RVS:2008:BG5659
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid voortzetting vreemdelingenbewaring ondanks uitblijven categoriewijziging
De vreemdeling werd op 20 september 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris baseerde dit op het niet melden bij de korpschef, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, het eerdere onrechtmatig verblijf en het ontbreken van voldoende middelen.
Op 26 september 2008 diende de vreemdeling een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de bewaring echter niet voortgezet krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, terwijl de termijn van vier weken om op de aanvraag te beslissen nog niet verstreken was op het moment van de uitspraak van de rechtbank op 8 oktober 2008.
De rechtbank oordeelde dat het uitblijven van een categoriewijziging de voortzetting van de bewaring onrechtmatig maakte, mede vanwege het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling en het feit dat de vreemdeling niet ongewenst was verklaard. De Raad van State stelt echter dat deze belangenafweging onjuist was, omdat de staatssecretaris nog binnen de beslistermijn van vier weken zat en het vermoeden bestond dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken.
Daarom vernietigt de Raad van State het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de voortzetting van de vreemdelingenbewaring is rechtmatig.