ECLI:NL:RVS:2008:BG6209
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Raad van State bevestigt bevoegdheid minister tot weigering mvv bij niet voldoen inburgeringsvereiste
De minister van Buitenlandse Zaken wees een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af omdat de vreemdeling niet voldeed aan het inburgeringsvereiste. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat uit de geschiedenis en samenhang van de wetgeving duidelijk volgt dat de minister bevoegd is om een mvv-aanvraag te weigeren indien niet aan het inburgeringsvereiste is voldaan. Dit volgt uit artikel 7 van Pro het Souverein Besluit, artikel 1, aanhef en onder h, en artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, en artikel 3.71a van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De vreemdeling voerde aan dat zij analfabeet is en daarom ontheffing van het inburgeringsvereiste zou moeten krijgen, en dat de afwijzing in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en de EU-richtlijn gezinshereniging. De Raad verwierp deze gronden omdat analfabetisme niet automatisch tot ontheffing leidt, de medische situatie van de echtgenoot geen ontheffing rechtvaardigt, er geen inmenging is in het gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, en de richtlijn niet van toepassing is omdat de echtgenoot een EU-burger is.
De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de minister bevoegd is een mvv-aanvraag te weigeren bij niet voldoen aan het inburgeringsvereiste en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.