Uitspraak
200706507/1en van 10 december 2008 in zaak nr.
200706330/1zijn de statutaire doelen van de stichting ROM zo veelomvattend dat ze onvoldoende onderscheidend zijn om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van deze stichting rechtstreeks is betrokken bij de in die uitspraken in het geding zijnde besluiten. Voorts heeft de Afdeling in die uitspraken overwogen dat is gebleken dat de stichting ROM geen feitelijke werkzaamheden verricht in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht waaruit blijkt dat haar belang rechtstreeks bij de in die uitspraken in het geding zijnde besluiten is betrokken. Ten slotte heeft de Afdeling in die uitspraken in aanmerking genomen dat de Stichting ROM door het optreden in rechte geen bundeling van rechtstreeks bij de in die uitspraken bestreden besluiten betrokken individuele belangen tot stand brengt waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn.
200706330/1op 23 oktober 2008 in het kader van de vraag naar de belanghebbendheid heeft gevoerd. In dit betoog is geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank terecht de stichting ROM als belanghebbende bij het besluit van 23 maart 2007 heeft aangemerkt. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat het college het door de stichting ROM tegen het besluit van 23 maart 2007 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren en ten onrechte nagelaten dat, zelfvoorziend, alsnog te doen. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.