ECLI:NL:RVS:2008:BG9516
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voortvarendheid bij vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de vreemdelingrechtelijke bewaring van een vreemdeling onrechtmatig achtte wegens onvoldoende voortvarendheid bij de voorbereiding van zijn uitzetting.
De vreemdeling verbleef van 31 augustus tot 24 september 2008 in strafrechtelijke detentie. Op de eerste dag na inbewaringstelling werd hij gehoord door de Vreemdelingendienst voor identificatie en uitzetting. Later volgde een vertrekgesprek en een aanvraag voor een laissez passer. De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had voldaan aan de inspanningsverplichting om te voorkomen dat de vreemdeling na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld, maar dat dit de bewaring niet onrechtmatig maakte.
De Raad van State stelt vast dat het gebrek aan voortvarendheid tijdens de strafrechtelijke detentie niet leidt tot onrechtmatigheid van de aansluitende vreemdelingenbewaring. De staatssecretaris heeft volgens de Afdeling voldoende voortvarend gehandeld vanaf het moment dat de vreemdeling in vreemdelingenbewaring werd gesteld. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Een verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring wordt als rechtmatig beoordeeld.