ECLI:NL:RVS:2021:352
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- J.Th. Drop
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid
De vreemdeling werd op 21 november 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij een Italiaanse verblijfsvergunning had en asiel had aangevraagd in Nederland. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard, de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend wegens onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris bij de overdracht.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betoogde dat voortvarendheid pas vanaf de dag van inbewaringstelling geldt, niet vanaf ontvangst van het claimakkoord. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het claimakkoord als peilmoment hanteerde en dat de staatssecretaris op dag zes van de bewaring een vertrekgesprek hield en een vlucht aanvroeg, wat volgens jurisprudentie voldoende voortvarend is.
Daarnaast betwistte de vreemdeling dat de lichte gronden 4c en 4d aan de bewaring ten grondslag mochten liggen, maar dit werd verworpen omdat hij de feiten niet had betwist en onvoldoende middelen had om zelf terug te keren. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.