ECLI:NL:RVS:2008:BG9518
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitspraak over vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie
De vreemdeling verbleef van 12 april 2008 tot 9 oktober 2008 in strafrechtelijke detentie wegens een overtreding van de Opiumwet. Aansluitend werd zij op 9 oktober 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende haar schadevergoeding toe, omdat niet volgens het VRIS-protocol was gehandeld.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met het gepleegde misdrijf en de duur van de strafrechtelijke detentie. De Raad van State overwoog dat het werkproces is ingericht om tijdens de strafrechtelijke detentie al voorbereidingen te treffen voor uitzetting, maar dat in dit geval de vreemdeling pas twee dagen voor het einde van de detentie werd aangemeld bij de VRIS-afdeling, wat mogelijk had kunnen voorkomen dat zij in bewaring werd gesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de belangen van de vreemdeling zwaarder wogen dan de belangen van de openbare orde. Ook was niet gebleken dat de vreemdeling pogingen had gedaan om aan haar vertrekplicht te voldoen. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard, de schadevergoeding en proceskosten werden afgewezen en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard zonder schadevergoeding.