Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, werd onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring die op 28 augustus 2022 werd opgelegd en op 2 september 2022 werd opgeheven. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende inspanningen had verricht om zijn overdracht na strafrechtelijke detentie te bespoedigen, waardoor de bewaring onrechtmatig was.
De rechtbank stelde vast dat tussen 26 juli en 26 augustus 2022 geen voorbereidingshandelingen waren verricht door verweerder, terwijl reeds bekend was dat de strafrechtelijke detentie zou eindigen. Dit leidde tot een gebrek in het voortraject. Verweerder voerde aan dat op 26 juli nog onzekerheid bestond over aanvullende detentie en dat eiser zelf een vertrekplicht had, maar deze argumenten werden verworpen.
De rechtbank oordeelde dat het belang van eiser zwaarder woog dan het belang van de Staat, mede omdat de bewaring mogelijk voorkomen had kunnen worden bij tijdige inspanningen. De maatregel van bewaring werd daarom onrechtmatig verklaard vanaf het moment van opleggen.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van €600 voor zes dagen onrechtmatige vrijheidsontneming en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van €1.518. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was en kent een schadevergoeding van €600 toe.