ECLI:NL:RVS:2009:BH0779
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en redelijk vermoeden van illegaal verblijf bij aantreffen in woning
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de inbewaringstelling van een vreemdeling wegens illegaal verblijf onrechtmatig achtte en schadevergoeding toekende.
De Raad van State overweegt dat op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en paragraaf A3/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf kan worden aangenomen wanneer een vreemdeling wordt aangetroffen in een woning die bekend staat als verblijfplaats van een illegale vreemdeling. Dit rechtvaardigt de staandehouding.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens oordeelt de Raad dat het uitlezen van de mobiele telefoon van de vreemdeling zonder wettelijke grondslag niet leidt tot onrechtmatigheid van de inbewaringstelling. De voortvarendheid van het uitzettingstraject wordt eveneens bevestigd.
Uitkomst: De inbewaringstelling van de vreemdeling is rechtmatig verklaard en het beroep ongegrond verklaard.