ECLI:NL:RVS:2009:BH2978
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid Griekenland bij asielprocedure en non-refoulementverplichtingen
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning asiel gegrond verklaarde. De kern van het geschil is of Griekenland, als verantwoordelijke lidstaat op grond van de Dublin-verordening, zijn verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM naleeft, in het bijzonder de non-refoulementverplichtingen.
De vreemdeling voerde aan dat Griekenland tekortschiet in de asielprocedure en daardoor de non-refoulementverplichtingen niet naleeft. De rechtbank achtte dit aannemelijk op basis van diverse algemene stukken en interim measures van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De staatssecretaris stelde dat deze informatie onvoldoende concreet was en dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt om aannemelijk te maken dat Griekenland de verdragsverplichtingen niet naleeft.
De Raad van State bevestigt dat het aan de vreemdeling is om met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat de verantwoordelijke lidstaat de non-refoulementverplichtingen niet naleeft. De algemene stukken en de interim measures bieden geen concrete aanwijzingen dat Griekenland daadwerkelijk zal overgaan tot gedwongen verwijdering in strijd met deze verplichtingen. Daarom vernietigt de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de bewijslastverdeling in asielprocedures binnen de EU.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.