Uitspraak
200405698/1), is het door het college gevoerde beleid met betrekking tot het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule niet onredelijk.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees het verzoek van appellant om urgentieverklaring af op grond van de Regionale Huisvestingsverordening 2007. Appellant stelde dat hij vanwege de beperkte woonruimte niet in staat was zijn vijf kinderen voldoende te ontvangen, wat een onhoudbare situatie zou vormen en een schending van zijn recht op gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het college het beleid omtrent de hardheidsclausule niet onredelijk heeft toegepast en dat het oordeel van de rechtbank dat appellant zich niet in een onhoudbare situatie bevindt, juist is.
Verder is vastgesteld dat het recht op respect voor gezinsleven niet willekeurig wordt geschonden door het besluit. Er is geen positieve verplichting voor het college om een urgentieverklaring toe te kennen, omdat appellant op andere wijze een gezinsleven kan voeren en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder weegt.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om urgentieverklaring door het college is bevestigd.