ECLI:NL:RVS:2009:BH6936
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- M.A.A. Mondt Schouten
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning in het kader van vreemdelingenrecht
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie werd afgewezen. Tegen dit besluit en het daarop volgende besluit van de staatssecretaris van Justitie werd bezwaar gemaakt en beroep ingesteld bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat hij rechtmatig verblijf ontleent aan een gemeenschapsrechtelijk verblijfsrecht en dat het toetsingskader van artikel 4:6 Awb Pro niet van toepassing is.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat bij herhaalde aanvragen met afwijzende besluiten het toetsingskader van artikel 4:6 Awb Pro geldt, tenzij er nieuwe feiten, gewijzigde omstandigheden of relevante wetswijzigingen zijn. Dit geldt ook voor verblijfsrechten die rechtstreeks uit het gemeenschapsrecht voortvloeien. De Afdeling verwees naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ter onderbouwing.
Vast stond dat eerdere aanvragen met dezelfde strekking waren afgewezen en dat de vreemdeling geen nieuwe feiten of relevante wetswijzigingen had aangevoerd. Daarom was het oordeel van de rechtbank dat het toetsingskader van artikel 4:6 Awb Pro van toepassing is, juist. De grieven van de vreemdeling faalden en het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.