ECLI:NL:RVS:2009:BI1108
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- W. van Hardeveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Nederlands paspoort wegens onbetaalde schuld en verblijf in buitenland
De minister van Buitenlandse Zaken weigerde op 29 augustus 2005 de aanvraag van appellant om een Nederlands paspoort, omdat er een gegrond vermoeden bestond dat appellant zich door zijn verblijf in het buitenland zou onttrekken aan de invordering van een schuld bij de gemeente Eindhoven. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze weigering, maar zowel de rechtbank 's-Gravenhage als de Raad van State verklaarden het beroep ongegrond.
Appellant betoogde dat hij niet op de hoogte was van de schuld en dat de gemeente Eindhoven geen aanvaardbare betalingsregeling had voorgesteld, waardoor het niet aan hem maar aan de gemeente te wijten zou zijn dat geen overeenstemming werd bereikt. De Raad van State achtte dit niet aannemelijk en oordeelde dat appellant onvoldoende bereidheid had getoond tot terugbetaling of contact met de gemeente.
Verder stelde appellant dat er geen causaal verband bestond tussen zijn verblijf in België en de onttrekking aan invordering. De Raad van State verwierp dit en benadrukte dat de Paspoortwet ook toepassing vindt wanneer de betrokkene reeds in het buitenland woont, omdat invordering dan problematischer is.
De Raad van State concludeerde dat de minister de aanvraag tot afgifte van het paspoort in redelijkheid kon weigeren en dat appellant geen onevenredige benadeling aannemelijk had gemaakt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van het Nederlandse paspoort aan appellant vanwege het gegrond vermoeden van onttrekking aan invordering door verblijf in het buitenland.