Uitspraak
200409073/1, is dit beleid niet onredelijk.
Raad van State
De algemeen directeur van de RDW trok op 8 februari 2006 de erkenning van appellant in voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorvoertuigen tot 3500 kg. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond. Appellant stelde onder meer dat hij wel volledige medewerking had verleend tijdens een steekproef op 21 december 2005 en dat zijn taalgebruik niet als bedreigend of intimiderend kon worden beschouwd.
De Raad van State oordeelde dat appellant zich jegens de controleur ondiplomatiek en onheus had uitgelaten, wat als bedreigend en intimiderend kon worden ervaren. Dit vormde een overtreding van de Erkenningsregeling. De RDW mocht dit gedrag terecht aanmerken als ernstige ondermijning van het toezicht, wat rechtvaardigde dat de erkenning definitief werd ingetrokken. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die tot afwijking van dit beleid zouden moeten leiden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de erkenning van appellant door de RDW wegens ernstige ondermijning van het toezicht.