ECLI:NL:RVS:2009:BI7619
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling risico terugkeer christenen Irak en toepassing artikel 3 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag gegrond had verklaard. De vreemdeling voerde aan dat hij als christen in Irak tot een kwetsbare minderheid behoort en daardoor een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat het enkele behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep niet voldoende is om een reëel risico op onmenselijke behandeling aan te nemen. Dit geldt alleen indien de groep systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen. De situatie van christenen in Irak is zorgelijk, maar er is geen sprake van een systematische praktijk van onmenselijke behandeling. Bovendien zijn er geen voldoende specifieke individuele kenmerken aangetoond die het risico voor de vreemdeling aannemelijk maken.
De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris heeft terecht geoordeeld dat het asielrelaas ongeloofwaardig was en dat de vreemdeling niet heeft voldaan aan de vereisten voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
De uitspraak benadrukt het belang van een individuele beoordeling van het risico bij terugkeer en bevestigt dat het behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep slechts een beperkte indicatie vormt, die moet worden onderbouwd met specifieke individuele kenmerken.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn asielaanvraag bevestigd.