Uitspraak
200404561/1, dat overschrijding van de wettelijke beslistermijn niet betekent dat een besluit reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is in zoverre ongegrond.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Ede legde op 1 november 2007 twee lasten onder dwangsom op aan de vergunninghoudster wegens overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en de verleende milieuvergunning voor een veehouderij. Appellant verzocht het college om handhaving, waarvan een deel werd ingewilligd. Het besluit van 1 november 2007 werd later ingetrokken vanwege een aanvraag om legalisatie van de illegale situatie.
Appellant stelde dat het college ten onrechte het besluit had ingetrokken en dat het college te laat en onvoldoende handhavend had opgetreden tegen overtredingen van verschillende voorschriften uit de milieuvergunning. De Raad van State oordeelde dat het college terecht had geoordeeld dat er concreet zicht op legalisatie was, waardoor intrekking van het besluit gerechtvaardigd was. Tevens was geen sprake van overtredingen die handhaving rechtvaardigden.
Verder werd geoordeeld dat de procedurele termijnen niet waren overschreden en dat appellant geen recht had op vergoeding van kosten in bezwaar. De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het intrekken van de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard.