Uitspraak
200302060/1) vormt de enkele omstandigheid dat de houder van een bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij alsnog binnen korte termijn daarvan gebruik zal maken, een redelijk belang dat ten grondslag kan worden gelegd aan intrekking van een ongebruikte bouwvergunning.
200601720/1) verdragen, naast zelfstandige bewoning door een gezin, ook minder traditionele woonvormen zich met een woonbestemming, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. Gelet op het verslag van een op 5 maart 2007 gehouden gesprek tussen vertegenwoordigers van de stichting en het college, waarin eerstgenoemden hebben aangegeven dat hun cliënten gezien hun gedrag en handicap niet zelfstandig kunnen functioneren, kan het door de stichting beoogde gebruik van het landhuis niet worden aangemerkt als nagenoeg zelfstandige bewoning. Nu [appellante] enkel in onderhandeling was met de stichting over de verhuur of verkoop van het landhuis en het door de stichting beoogde gebruik niet was toegestaan, lag ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar geen concreet en realiseerbaar plan voor dat was gericht op de bouw van de woning. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dat moment alsnog binnen korte termijn van de bouwvergunning gebruik zou maken. Aangezien het aan [appellante] was om dat aannemelijk te maken, was het college verder, anders dan [appellante] betoogt, niet gehouden haar na het gesprek van 5 maart 2007 uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen met andere partijen te onderhandelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals blijkt uit de brief van mr. J. van Groningen aan het college van 25 januari 2007, [appellante] ervan op de hoogte was dat dat gesprek zou plaatsvinden. De omstandigheid dat onderhandelingen met andere partijen nog moesten worden gevoerd, bevestigt bovendien dat zich niet de situatie voordeed dat op korte termijn met bouwen zou worden begonnen. Verder heeft [appellante] in zijn pleitnota in beroep aangegeven dat ten behoeve van het door de stichting beoogde gebruik van het landhuis primair getracht zou worden een verdubbeling van de bebouwing gerealiseerd te krijgen. Indien dat niet mogelijk zou zijn, zou de vergunde bebouwing uitgangspunt zijn. Ook dit wijst erop dat niet op korte termijn zou worden aangevangen met de bouw van het landhuis zoals dat was vergund.