ECLI:NL:RVS:2009:BJ1140

Raad van State

Datum uitspraak
1 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200807802/1/H3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 GemeentewetArt. 5:32 AwbArt. 2.1.5.1 APVArt. 2.1.5.2 APV
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak inzake handhaving afrastering en gebruik openbare weg zonder vergunning

Het college van burgemeester en wethouders van Swalmen legde op 3 oktober 2006 een last onder dwangsom op aan belanghebbende om een geplaatste afrastering te verwijderen omdat deze de openbare weg zou blokkeren en de toestand van de weg moest worden hersteld.

Het college van Roermond, als rechtsopvolger, verklaarde het bezwaar van belanghebbende gegrond en herzag het besluit. De rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had verricht naar de precieze ligging van de openbare weg, waardoor niet kon worden vastgesteld of de afrastering in strijd was met de Algemene Plaatselijke Verordening. Hierdoor was het college niet bevoegd tot handhavend optreden. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200807802/1/H3.
Datum uitspraak: 1 juli 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 september 2008 in zaak nr. 08/518 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Roermond.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Swalmen [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast de geplaatste afrastering te verwijderen en de toestand van de Weg van de Barrière naar de Gemeenteontginning te herstellen overeenkomstig de situatie zoals die was voor plaatsing van de afrastering.
Bij besluit van 21 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) als rechtsopvolger van het college van burgemeester en wethouders van Swalmen het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit herroepen.
Bij uitspraak van 12 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 18 november 2008.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[belanghebbende] heeft een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2009, waar het college, vertegenwoordigd door P.M.C. Ploum, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. G.H. Blom, medewerker van Achmea rechtsbijstand, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 125 van Pro de Gemeentewet is het college bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.
Ingevolge artikel 5:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het college bevoegd om aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen.
Ingevolge artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: de APV), ten tijde van belang, is het verboden om zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming daarvan.
Ingevolge artikel 2.1.5.2, eerste lid, van de APV, ten tijde van belang, is het ondermeer verboden zonder vergunning van het college een verandering aan te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college van handhavend optreden heeft mogen afzien. In dat verband betoogt hij onder andere dat de Weg van de Barrière naar de Gemeenteontginning door de door [belanghebbende] geplaatste afrastering niet meer voor al het verkeer toegankelijk en bruikbaar is. De weg wordt daardoor anders gebruikt dan de bestemming en daarin is een verandering aangebracht hetgeen in strijd is met het bepaalde in de artikelen 2.1.5.1 en 2.1.5.2 van de APV, omdat dit zonder vergunning is gebeurd.
2.2.1. De bevoegdheid tot handhavend optreden bestaat indien [belanghebbende] de afrastering in strijd met het bepaalde in de artikelen 2.1.5.1 en 2.1.5.2 van de APV heeft geplaatst.
De commissie voor bezwaarschriften heeft geadviseerd het bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2006 gegrond te verklaren omdat dit besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid nu geen onderzoek is gedaan naar het oorspronkelijk verloop van de Weg van de Barrière naar de Gemeenteontginning. De commissie heeft in dat verband overwogen dat niet in geschil is dat de feitelijke ligging van deze weg in de loop van de tijd is verschoven, maar dat partijen van mening verschillen over de precieze situering van deze openbare weg. De wegenlegger waarin de openbare weg staat vermeld, geeft evenmin uitsluitsel over de exacte breedte en het verloop van de weg. Het college heeft het bestreden besluit in aansluiting op dit advies genomen.
2.2.2. De exacte ligging van de openbare weg is onduidelijk omdat het college daarnaar onvoldoende onderzoek heeft verricht. Gelet daarop kan niet worden vastgesteld of [belanghebbende] de afrastering in strijd met de APV heeft geplaatst. Omdat niet vaststaat dat de APV wordt overtreden is het college niet bevoegd handhavend op te treden. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot een zelfde oordeel gekomen. Het betoog slaagt niet. Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. J.C.K.W. Bartel en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Graat
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009
307.