ECLI:NL:RVS:2009:BJ3656
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naleving termijn onderzoek ter zitting bij vreemdelingenbewaring
De zaak betreft een hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank die zijn beroep tegen vreemdelingenbewaring ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde dat hij niet binnen twee weken na het indienen van het beroepschrift was gehoord, zoals vereist volgens artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
De rechtbank had het onderzoek ter zitting op de dertiende dag na ontvangst van het beroepschrift aangevangen, maar op verzoek van de gemachtigde de zitting geschorst vanwege het ontbreken van een tolk. Het onderzoek werd op 11 juni 2009 voortgezet, waarbij de vreemdeling met tolk werd gehoord. De vreemdeling betoogde dat de schorsing niet was toegestaan en dat de bewaring had moeten worden opgeheven.
De Raad van State oordeelde dat het verzoek tot schorsing door de gemachtigde niet relevant is voor de beoordeling van de naleving van de termijn, omdat artikel 94, tweede lid, een voorschrift van openbare orde is. De rechtbank had tijdig met het onderzoek begonnen en de schorsing duurde niet langer dan noodzakelijk om het onderzoek correct voort te zetten. Daarom is het betoog van de vreemdeling ongegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de rechtbank de termijn voor het onderzoek ter zitting heeft nageleefd en verklaart het hoger beroep ongegrond.