ECLI:NL:RVS:2008:BD4768
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.H.M. van Altena
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring door overschrijding wettelijke termijn
De vreemdeling werd op 18 april 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde op 9 mei 2008. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en stelde dat de rechtbank het beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van veertien dagen had behandeld.
De Raad van State oordeelde dat artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 een strikte termijn stelt voor de behandeling van het beroep, die niet wordt verlengd door feestdagen zoals 5 mei. De rechtbank had de zitting pas op de vijftiende dag na ontvangst van het beroepschrift gehouden, waardoor de maatregel vanaf 6 mei 2008 onrechtmatig werd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct moest worden opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een vergoeding van € 2590 toegekend voor de periode van onrechtmatige bewaring. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De bewaring werd onrechtmatig verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn, opgeheven en de vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend.