ECLI:NL:RVS:2009:BJ6296
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling beleid en weigering verblijfsvergunning aan bekeerde christen uit Iran
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit tot weigering van een verblijfsvergunning asiel aan een Iraanse bekeerde christen vernietigde. De vreemdeling had aangevoerd dat hij vanwege zijn bekering een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Iran.
De Raad van State overweegt dat het beleid neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2007/15, dat Iraanse bekeerlingen als specifieke groep aanwijst, inhoudt dat alleen het aannemelijk maken van bekering onvoldoende is voor vergunningverlening; er moet ook sprake zijn van problemen om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging. De ambtsberichten van Buitenlandse Zaken geven geen aanwijzingen dat bekeerlingen in Iran daadwerkelijk geweld wordt aangedaan.
Verder is het wetsvoorstel tot wijziging van het Iraanse Wetboek van Strafrecht, dat afvalligheid met de doodstraf zou bestraffen, nog niet definitief aangenomen, zodat hier niet op vooruitgelopen kan worden. De Raad oordeelt dat de staatssecretaris in redelijkheid het beleid heeft vastgesteld en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van risico op schending artikel 3 EVRM.