Uitspraak
200804162/1), strekt artikel 40, tweede lid, van het Kr ertoe te voorzien in uitzonderingssituaties waarin het niet mogelijk is een van de in artikel 40, eerste lid, van het Kr vermelde procedures te volgen. Bij de uitoefening van de in artikel 40, tweede lid opgenomen bevoegdheid komt aan de RDW beoordelingsvrijheid toe. Het is aan degene die een beroep doet op deze bepaling om daarvoor dragende gronden aan te voeren en die aannemelijk te maken.
200503012/1), kan niet worden geoordeeld dat het door de RDW gevoerde beleid om in beginsel geen terugwerkende kracht te verlenen aan met toepassing van artikel 40 van Pro het Kr genomen besluiten, inhoudende de vervallenverklaring van de tenaamstelling van een voertuig, niet redelijk is. De zuiverheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid met betrekking tot de tenaamstelling van voertuigen rechtvaardigen een dergelijk beleid. Voor zover de RDW beoogt te betogen dat terugwerkende kracht ingevolge artikel 40 van Pro het Kr in het geheel niet mogelijk is, verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 29 juli 2009 in zaak nr.
200808940/1/H3, waarin zij heeft overwogen dat het niet in strijd is met het Kr om een tenaamstelling met terugwerkende kracht vervallen te verklaren.