ECLI:NL:RVS:2009:BK8653
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling ongewenst verklaard wegens ernstige economische misdrijven volgens artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De staatssecretaris van Justitie verklaarde de vreemdeling ongewenst op grond van ernstige economische misdrijven die zij in China zou hebben gepleegd. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij uitspraak van de rechtbank deels werd bevestigd maar de rechtsgevolgen in stand bleven.
In hoger beroep stelde de vreemdeling dat de delicten niet als ernstige niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag konden worden aangemerkt, mede omdat deze in Nederland minder ernstig worden beoordeeld en niet expliciet in UNHCR-documenten worden genoemd. De Raad van State oordeelde echter dat economische misdrijven wel degelijk als ernstige misdrijven kunnen gelden, ook al zijn zij niet limitatief opgesomd in UNHCR-richtlijnen.
De Raad van State wees op het recidiverende karakter van de delicten, de omvang van de verduisterde bedragen (meer dan 253 miljoen Renminbi) en de grote impact op overheid en burgers. Tevens werd verwezen naar internationale verdragen die corruptie als ernstige bedreiging erkennen. Het hoger beroep van de vreemdeling werd gegrond verklaard, het besluit van 8 februari 2008 vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit bleven in stand. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.