Uitspraak
200900320/2/M1heeft het college opnieuw metingen verricht, waarbij mede de na november 2007 getroffen logistieke maatregelen in aanmerking zijn genomen. Deze metingen dateren van na het bestreden besluit, maar geven eenzelfde resultaat.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden stelde op 2 december 2008 aanvullende milieuregels vast voor het spoorwegemplacement aan het Stationsplein 1, gericht op het beperken van hinder door laagfrequent geluid veroorzaakt door nieuwe dieseltreinstellen van het type Stadler GTW. Arriva en ProRail stelden beroep in tegen dit besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat Arriva geen rechtstreeks belang had en daarom niet-ontvankelijk was. Het beroep van ProRail richtte zich onder meer op de motivering van de grenswaarden voor laagfrequent geluid en de uitzonderingsperiode van vijf minuten voor het stationair draaien van treinen.
De Afdeling concludeerde dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom strengere normen dan de Vercammen-curve werden gehanteerd en waarom een uitzondering van vijf minuten werd toegestaan, terwijl uit het dossier bleek dat treinen soms langer stationair draaien. Hierdoor was het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 3:46 Awb Pro. Het besluit werd vernietigd en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan ProRail.
Uitkomst: Het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden van 2 december 2008 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.