ECLI:NL:RVS:2010:BL9331
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vreemdelingenbewaring ondanks ongewenstverklaring Britse gemeenschapsonderdaan
De vreemdeling, een Britse gemeenschapsonderdaan, is bij besluit van 25 april 2002 ongewenst verklaard. Op 13 januari 2010 is hij in vreemdelingenbewaring gesteld, waartegen hij bezwaar maakte bij de rechtbank. Deze verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling ten tijde van de inbewaringstelling rechtmatig verblijf had en of de toegang tot Nederland geweigerd mocht worden. De vreemdeling stelde dat sinds zijn verwijdering uit Nederland in juli 2004 een redelijke termijn was verstreken, waardoor geen grond voor weigering van toegang bestond. De Raad van State oordeelde dat zolang de ongewenstverklaring niet is opgeheven, de vreemdeling geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan kan hebben en dat de inbewaringstelling daarom rechtmatig was.
Daarnaast werd vastgesteld dat de vreemdeling zich reeds toegang tot Nederland had verschaft voordat hij in Vlaardingen werd staandegehouden, zodat de weigering van toegang niet aan de orde was. De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, inclusief de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.